Trillende handen

De  twee croissants die op mijn lijstje stonden waren de laatste boodschappen die ik nog in mijn karretje moest laden. Zoals in veel supermarkten lagen de croissants tussen een groot assortiment van andere broodjes in van die bakken met een rond gat erin en een tang waarmee je de gewenste broodjes uit dat gat kon vissen en in een plastic zakje moest doen. 

Voor mij stond een oude heer met de tang in zijn hand te mikken op het gat van de croissants. Zijn hand trilde zo erg, dat hij zijn andere hand erbij gebruikte om de tang zo stabiel mogelijk te houden, maar het mocht niet baten. De tang ratelde tegen de plastic stellage aan en in plaats van een croissant had het net zo goed een kaiserbroodje of ciabatta kunnen worden.

Ik aarzelde of ik mijn hulp moest aanbieden. In de tram bied ik nauwelijks meer mijn zitplaats aan aan een ouder persoon omdat de inschatting dat de ander wil zitten eerder fout dan goed is en een snibbig ‘nee dank u, ik kan nog prima staan’ mijn goede bedoelingen nèt iets te vaak om zeep hebben geholpen. Tegenwoordig ga ik er dus vanuit dat een ander prima in staat is te vragen wat ie nodig heeft, ook een bejaarde dame of heer die graag wil zitten. In dat geval sta ik nog steeds met plezier mijn plaats af.

Bij de man met de trillende handen schatte ik in, dat mijn hulp misschien toch gewenst was en ik vroeg hem dan ook of ik kon helpen. Hij keek me glimlachend aan en met een ‘Nee dank u, het lukt nog prima’, ploeterde hij verder. Uiteindelijk had hij zijn croissant in het plastic zakje. Met de tang nog in zijn hand draaide hij zich naar mij toe en met een twinkeling in zijn ogen vroeg hij mij: ‘Zal ik ú helpen met úw croissants?’