In ieder geval geen chips

Telefoongesprek in de tram in Amsterdam tegen borreltijd. ‘Heeeej schat.’ (….) ‘Uhh, borrelnootjes of zo?’ (……) ‘Ja weet ik niet, geitenkaasje?’ (….) ‘Nee, ik heb geen zin in chips.’ (….) ‘Ja schat, weet ik niet, zo’n worst die je in stukken kunt snijden?’ (…..) ‘Nee, nee, nee schat, ik wil echt geen chips. Humus of zo dan? Ik weet het niet, kijk maar joh. Je weet nu in ieder geval wat ik niet wil.’ (….) ‘Nee, geen chips. Heb ik echt geen zin in. Nou, tot straks.’

Ik heb deze paar minuten gefascineerd zitten luisteren en vroeg me af wat er aan de andere kant van de lijn toch steeds werd tegengeworpen op alle voorstellen die deze jongen aan zijn lief deed. Veel mensen weten alleen te zeggen wat ze niet willen en niet wat ze wèl willen. Deze jongen wist beide: wat hij niet wilde, maar ook wat hij wèl wilde. Het leek er echter op dat de wederhelft ook al precies wist wat hij/zij wel wilde en wat niet. Waarom dan toch de vraag stellen? Als je weet wat je wil, wordt het voor de ander lastig als je je wens in een vraag voorlegt. Het kan dan ja of nee worden, terwijl je zelf het juiste antwoord al weet. Dus dan maar gewoon poneren als een stelling? In bovenstaand geval ben ik daar een voorstander van. Een partner die ieder alternatief van de hand wijst vraagt om een andere aanpak. ‘Heeeej schat’ (…) ‘O, ik heb chips gehaald voor vanavond’.(…) ‘ Nou gewoon, omdat ik daar zin in heb. (…) Geitenkaasje? Nee getver, hou ik niet van. Ook niet van borrelnootjes trouwens. Weet je toch. (…) Ja, dan moet je zelf nog even langs de supermarkt als je zo’n worst wil die je in stukken kunt snijden. Nou ja, kijk maar even. Je weet in ieder geval dat ik al heb wat ik lekker vind. Tot straks!’